Afbeelding

BERLIJNSE NOTITIES

Bij het verschijnen van deze notitie heeft Nederland zich tegen Oostenrijk naar alle waarschijnlijkheid geplaatst voor de achtste finales.
Die laatste wedstrijd in de groepsfase is hier in Berlijn gespeeld.
Mij gaat het hier niet om de uitslagen, noch om voetbaltactiek.
Mij gaat het om het Legioen. Het oranje legioen.
Ik kan zeggen dat ik ervaringsdeskundige ben op dit terrein.
Dat wil zeggen: niet als supporter maar als verslaggever.
In 2008 heb ik mij in die functie op weg begeven naar het Zwitserse Bern, een van de speelsteden van het toenmalige EK, met geen ander doel dan te beschrijven hoe de oranje invasie zich zou manifesteren in deze doorgaans toch slaperige ambtenarenstad, waar tot dusver geen groter vermaak bestond dan het jaarlijkse, in oktober gehouden feest van de uien.
Het Zibelemürit.
Een markt, in de middag een confetti strooien met kinderen, in de avond een concert. Tegen elven naar bed.
Maar destijds marcheerden vijftigduizend oranje narren de oude stad binnen met zijn stegen, patriciërshuizen en arcaden en bezetten alles waar maar het woord Platz in voor kwam: de Bundesplatz, de Waisenplatz, de Kornhausplatz.
Natuurlijk schiepen ze chaos, maar er was systeem in, een sturing zo je wil.
Dat systeem rustte op een paar pijlers.
Er was een oranjecamping waar een deel van de troepen gelegerd was - bij Interlaken - en er was een oranje dubbeldekker, waarmee ikzelf nog naar Bern ben gereden, een bus gevuld met ‘sfeermakers’, gezonden door een bekend Nederlands biermerk en tevens brandstofleverancier voor de troepen.
De bus nestelde zich steevast aan het hoofd van de parade, uitgerust met grote geluidsboxen waaruit - en ook dat was systeem - liederen schalden die iedereen kon meezingen. Toen vooral van André Hazes en Guus Meeuwis.
Naast de liederen en de bus die de chaos structuur gaven was er ook de uitrusting: oranje kleding, uitzinnige hoofddeksels en bovenal oranje brulshirts, die in supermarkten verkrijgbaar waren.
Ik heb veel Zwitsers met open monden naar de invasie zien kijken terwijl onbegrijpelijke teksten als ‘het is stil aan de overkant’ en ‘Brabantse nachten zijn lang’ hen om de oren vlogen.
Oranje won destijds glansrijk van Italië, Frankrijk en Roemenië, wat de geestdrift verder opstuwde. En Bern was na afloop een uitgewoonde, bezoedelde stad, maar niet zonder gelukzaligheid; de enthousiaste inwoners voelden zich als uitgeputte verliefden na nachten van woeste seks.
Bazel, de stad van de achtste finale tegen de Russen van Hiddink, beleefde de allergrootste oranje invasie ooit: 150.000 fans overspoelden de stad. Het werd ook ‘s lands grootste kater. Het elftal had de moeheid van zijn supporters overgenomen.
En nu, in Duitsland, soortgelijke taferelen. De oranje dubbeldekkerbus is er weer, bij duizenden trok men Hamburg en Leipzig binnen, zij het met andere liederen, aangevoerd door de Snollebollekes, naar links, naar rechts, naar links, naar rechts. Ook werden nu borstbeelden meegedragen van spelers van zeg de generatie 2008, en Gullit pruiken uit een nog eerdere voetbalglorie. Op het Berlijnse Hauptbahnhof zag ik dagen geleden een eerste oranjeshirt. Een voorbode. Maar of men zich dronken kan drinken aan de zweetband van Memphis?