Afbeelding

Parijs

Opinie

Het leven is vluchtig, wat je gisteren nog belangrijk vond, is vandaag verdampt en vergeten. Wat dit jaar wel bij mij is blijven hangen – ik schreef het al eerder – zijn de Olympische Spelen in Parijs. De sfeer, de prestaties, de sportiviteit, het enthousiaste publiek, het was een wolk van optimisme. Een goed tegengif tegen al dat negativisme en de ellende, die we dagelijks door de media krijgen opgediend.

Parijs – de stad van de liefde en oh la la – zit vaak in mijn gedachten. Dat is niet zo gek, ik ben er vaak geweest en heb er als kind gewoond. Nou ja, in Saint-Germain-en-Laye om precies te zijn, toen een dorp net buiten Parijs, nu onderdeel van de metropool. Die paar jaar – in de eerste klas van de lagere school had ik een 17 voor aardrijkskunde en een 18 voor geschiedenis – hebben mijn beeldvorming over het land van Marianne en haar hoofdstad bepaald. En die is, u raadt het al, positief met een grote P. 

Ik ben het dus absoluut niet eens met de zinsnede ‘Frankrijk is een prachtig land, jammer dat er Fransen wonen’, die je wel eens hoort en ooit is uitgesproken door toenmalig VVD-minister Annemarie Jorritsma. Daarmee wordt gedoeld op de vermeende arrogantie, botheid en het chauvinisme van de Fransen. Onzin. Als je een beetje vriendelijk doet, bij een begroeting ‘Bonjour monsieur/madame’ zegt, een paar woorden Frans probeert te spreken en begrip toont voor hun gebruiken zal zelfs de meest norse Fransman ontdooien. 

Natuurlijk zijn er ook negatieve ervaringen zoals in elk land. De boze campingbaas, de woedende automobilist, de chagrijnige  ober, ga zo maar door. Overigens snap ik zo’n ober wel als een stel horkerige Hollanders zonder te groeten en te vragen of er een tafeltje vrij is neerploft en van afstand roept ‘Hé ober, trois pils en vite een beetje!’.

Ook ik maakte wel eens een akkefietje mee waarbij Parijs zich van een minder mooie kant liet zien. Zoals die keer op het beroemde Place du Tertre in Montmartre en bijna slachtoffer werd van een oplichterstruc. Toen ik op het plein rondliep, waar tientallen kunstenaars toeristen portretteerden, werd ik op mijn schouder getikt. Een besnorde man liet me een papieren knipsel zien, dat kennelijk mij voorstelde. “Beautiful art sir, it cost you only 300 francs (45 euro),” sprak de Fransoos in gebroken Engels. Ik wilde doorlopen maar hij hield me tegen. “You have given me the order,” beweerde hij, wat pertinent niet waar was. Vanachter hem verschenen ineens twee kleerkasten die dreigend in mijn richting liepen. Het zweet brak me uit, maar betalen…dat nooit. Op het moment dat de boel uit de hand dreigde te lopen doken mijn vrienden op en redden me uit deze penibele situatie.

Dat soort praktijken is van alle tijden en kom je overal tegen. Een  inmiddels vergeeld smetje op het blazoen van Parijs dat door de Olympische Spelen weer flink is opgepoetst.