Hoe ken dat?

Een populair programma is MAFS (Married At First Site) waarbij mensen met een volslagen vreemde in het huwelijk treden. Ze zijn door experts aan elkaar gekoppeld en na allerlei onderzoeken lijken alle stellen goede matches. Als trouwambtenaar kom ik ook wel eens stellen tegen die elkaar nog niet zo heel lang kennen, maar trouwen met een volkomen vreemdeling lijkt me helemaal niks! Toch vind ik het programma op televisie best vermakelijk en mijn wederhelft en ik kijken het trouw.

Onlangs was er een bruid, die - voordat ze trouwzaal ging betreden - kennismaakte met haar toekomstige schoonmoeder. Deze schoonmoeder was natuurlijk reuze benieuwd naar de vrouw met wie haar zoon in het huwelijk zou treden, al voelde het voor haar wel een beetje vreemd. "Hoe ken het toch, dat je wilt trouwen met iemand die je niet kan?”
Terechte vraag, dunkt mij, al klinkt deze vorm toch anders dan we gewend zijn. Dit heeft te maken met dialect, het Rotterdamse dialect. Van oorsprong zijn Rotterdammers heel creatief met taal. Ze plakken met enige regelmaat een ‘natte T' achter woorden en ook met hun intonatie doen ze het net even anders dan wij in de Achterhoek. Bovendien husselen ze hier en daar met wat werkwoorden. Zo wordt ‘kunnen' ‘kennen' en 'liggen’ ‘leggen’.
Rotterdammers maken over het algemeen geen verschil tussen kennen en kunnen. Beide werkwoorden worden in beide betekenissen gebruikt: "Ik kan mijn nieuwe collega net en ik ken nu al heel goed met haar samenwerken.” Draait een echte Rotterdammer deze werkwoorden om - zoals het voor ‘ons’ goed zou zijn – dan zou dat pas opvallen!
Een beetje onderzoek leert dat de totstandkoming van de Statenvertaling in de 17e eeuw van de Bijbel de Rotterdamse ‘afwijking' heeft veroorzaakt. De Bijbel werd toen voor het eerst in het Nederlands geschreven en dat pakte wat chaotisch uit. Een speciaal opgerichte commissie heeft naar aanleiding daarvan wat richtlijnen opgesteld, zoals onder meer het gebruik van liggen en leggen. Dat lijkt niet helemaal goed gelukt te zijn, want nog altijd worden ook die twee werkwoorden door elkaar gebruikt. Zo gaan Rotterdammers ‘effe lekker op de bank leggen' en geef ze eens ongelijk! "Ik bepaalt dat nog altijd zelf!”

Ken je nagaan!